Claude
Oscar Monet werd op 14 november 1840 geboren in de rue
Laffitte 45 in Parijs, niet ver van Gare Saint Lazare. Nu
staat er een bankgebouw, opgetrokken uit marmeren stenen.
Alleen de oude winkel die tussen de bank en nummer 47 is
ingeklemd doet nog aan de tijd van Monet's geboortejaar
denken. Een klein pand met een oude houten deur en houten
luiken, die gesloten waren. Boven de luiken hangt een groen
bord waarop met gele letters het woord FOURRURES staat - Pelterijen:
in deze werkplaats werden de bontmantels gemaakt voor de
welgestelde burgers van het Parijs in de 19e eeuw.
Geboren in Parijs dus, maar Monet groeide op in de
Normandische havenstad Le Havre, gelegen aan de monding van
de Seine. Monet’s jeugd aan de Seine liet een onuitwisbare
indruk achter: “De Seine. Ik heb haar mijn hele leven
lang geschilderd, op elk uur, in elk jaargetijde, van Parijs
tot aan de zee… Argenteuil, Poissy, Vétheuil, Giverny,
Rouen, Le Havre…”
Le Havre is de grootste stad van Normandië, ontstaan in de
Middeleeuwen. Door de verzanding van de Seinemonding en het
dichtslibben van de zeehavens Harfleur en Honfleur, samen
met de ambities van François I (1494 – 1547), leiden tot
het ontstaat van de haven van Le Havre, waar de koning
vervolgens ook een stad laat bouwen.
Vanaf de 18de eeuw zijn de rederijen in opkomst, mede door
de uitwisselingen met de koloniën (Haïti, Senegal, India).
Het is het begin van een ongekende welvaart. Onder Lodewijk
XVI (1754 – 1793) groeit de stad steeds verder uit. In
1852, als het overbevolkte stadscentrum uit zijn voegen
barst, besluit Napoleon III (1808 – 1873) de stadsmuren af
te breken. Er komen grote boulevards voor in de plaats en de
omliggende gemeenten worden geannexeerd, zodat Le Havre uit
kan groeien tot een grote industriële stad met een haven
gericht op handel in grondstoffen als koffie, specerijen,
tropisch hout en katoen.
Het is in deze
bloeiperiode dat het gezin Monet naar Le Havre verhuist.
Want in tegenstelling tot het bloeiende Le Havre staat
Parijs halverwege de jaren veertig aan het begin van een
economische crisis. Kruidenier Claude Adolphe Monet besluit
daarom met zijn echtgenote Louise Justine Aubrée en
kinderen de stad te verlaten, om in Le Havre in de zaak van
zijn zwager Jacques Lecadre te beginnen, die onder andere
een handel in kruidenierswaren bedreef.
Niet dat hij er een vervelende jeugd had, maar Monet
verveelde zich in Le Havre. In een stad waar voornamelijk
zakelijk denken |
|
|
gestimuleerd werd, voelde deze jonge
creatieve geest, die bovendien wars van regels was, zich
niet echt thuis. Zijn verblijf op school, dat hij vergeleek
met een gevangenis waar hij niet meer dan vier uur per dag
kon doorbrengen, was ook geen succes. Nee, hij kon maar
moeilijk aarden in de Le Havre. Maar we moeten blij zijn dat
hij uitgerekend dáár was, aan zee, wat een prima plek was
om je te gaan vervelen, wat Monet ten volle deed. Want het
was de verveling die tot creativiteit leidde en hem
aanmoedigde om te gaan tekenen. Toen hij een jaar of
vijftien was begon hij karikaturen te tekenen van zijn
klasgenoten. Een paar jaar later, in 1857, inmiddels geld
verdienend met de karikaturen van de burgerij in Le Havre,
was zijn reputatie als karikaturist gevestigd.
Zijn werk werd nu voor het eerst tentoongesteld, bij de
plaatselijke lijstenmaker, naast het werk van de schilder Eugène Boudin.
Boudin, begin dertig, schilder van landschappen en
zeegezichten, was afkomstig uit het nabij gelegen
Honfleur en herkende in de tekeningen het talent van de jonge
Monet. Hij nodigde hem uit om met hem te werken in de
buitenlucht.
Toen Monet de tachtig al gepasseerd was, zei
hij over die periode: "Boudin zette zijn ezel neer
en ging aan het werk. Ik begreep ineens wat schilderen kon
zijn... mijn lotsbestemming als een schilder openbaarde zich
voor me. Als ik inderdaad een schilder ben geworden, dan
dank ik dat aan Eugène Boudin. Dankzij hem gingen mijn ogen
open en begreep ik de natuur; tegelijkertijd leerde ik van
haar te houden."
Een zwart-witfoto van Monet uit de tijd in Le Havre toont een jongeman
van een jaar of negentien, gestoken in een mooi donker pak
met een wollen gilet, witte blouse en een sjaaltje om de nek;
zijn linkerhand steekt in de zak van zijn broek,
zelfverzekerd kijkt hij van de camera weg. En: baardloos.
Natuurlijk had hij op die leeftijd nog geen baard, slechts
lichte haargroei op zijn bovenlip wat het begin van een snor
zou kunnen zijn, hooguit. Maar die baard, die later zo
karakteristiek voor hem is geworden, zoals bijvoorbeeld de
steek dat voor Napoleon is, die ontbreekt nog. Zat
waarschijnlijk nog in de keel van deze jongeman, die het
inmiddels wel gezien had in Le Havre en tegen de zin van
zijn vader in naar Parijs vertrok.
|
|